Inktvissen

In mijn dromen zwem ik met inktvissen,
die zijn gevuld met het inkt van mijn ideeën.

Soms landen we op een koraalrif,
om onze lunch op te eten,
zalm wraps in aluminium folie,
stevig ingepakt door onze moeders.

Daarna ontspannen we even,
dobberen in de grijze materie van mijn nog maagdelijke ideeën,
tot een zonnestraal uit het verre niets
een gedachte tot leven wekt.

Gauw zwemt iemand daar dan achteraan,
om die gedachte naar de donkere diepte te drijven.

Voordat die zich op de bodem op laat schrijven met zeewier,
slokt een van mijn inktvissen hem op.

De gevaarlijke gedachten zetten we in aparte kooien die we geheimen noemen,
zij worden met kooi en al opgeslorpt.

Als we weer opstijgen,
verder varen,
denken de andere zeebewoners
dat er een buitenaards schip opstijgt,
met duizenden tentakels,
als een zee duizendpoot,
een krioelend creatuur,
een levende gevangenis,
met miljoenen flikkerende vlammetjes,
anti-incubatiekamers
waar eenzame spinsels ontrafelen.

Eén keer was er een anomalie,
een rebelse redenaar,
een onverwachte opwelling,
een mening,
die zelf een gedachte had opgevat,
en er op de een of andere manier in deze verwaterde gedachten wereld échte paarden voor had weten te spannen, opgetuigd met overtuigingen, oogkleppen gemaakt van visies, opgezweept door invallen.

Ik lokte hem in een val door net te doen of hij vrijuit zou gaan, als hij met mij zou praten.

Wie ben jij? Vroeg ik.
Hij keek mij aan met grote ogen en zei dat hij dat niet wist.
Er viel een naargeestige stilte.
Hij wilde weten, waarom ik alle gedachten najoeg, waarom ik ze zo neurotisch in inktvissen opsloot.

Ik zei niks, maar gaf met een kleine knik het sein om hem gevangen te laten zetten.

Als ik wakker begin te worden,
schiet ik mijn drachtige inktvissen één voor één dood.
Het water kleurt zwart met het inkt van mijn ideeën,
Alles wordt verduisterd door over elkaar heen tuimelende ideeën.
Te vroeg geboren, trappelen ze om zich heen,
onwennig in het lichaam van het water,
woest trappelend, ondergaand.
Ze sterven een on-betreurde dood,
zodat niemand ze ooit zal zien,
maar vooral ik niet.

Ik zie vaak die gedachte voor me die mij vroeg waarom, met zijn grote ogen en gek stel paarden.
Waarom jaag ik al mijn gedachten de dood in?
Het is beter zo:
Vroeger spoelden ze stuk voor stuk aan op het strand van mijn bewustzijn.
Ik rende van hot naar her om ze te ordenen, de juiste stukken bij elkaar te brengen.

Daarna, terwijl telkens weer nieuwe gedachtenstukken aan wal geraakten,
probeerde ik ze te ontcijferen.
Met name, wilde ik de belangrijkste gedachten onderscheiden van de minder belangrijke,
de ideeën die echt goed waren moesten voorrang krijgen op de anderen.

Maar telkens kwamen er weer nieuwe.
Ze overspoelden het strand en lieten mij geen rust.
Met zonnesteek lag ik dagen op bed, terwijl ik uit het raam bergen met gedachten zich op zag stapelen.

Tot op een dag de uitgedroogde ideeën stapels in vuur en vlam werden gestoken door de zon.
Met haar venijnige stralen had ze geprobeerd haar eigen rangschikking te maken,
maar in plaats daarvan, veranderde ze alles in een hoop as.

Ik rende panisch van de ene brandhaard naar de andere,
en probeerde ze te blussen met het water uit mijn onderbewuste zee.
Maar tevergeefs.
Ik viel neer op mijn knieën en schreeuwde met heel mijn ziel.
Nooit meer wilde ik zoveel pijn en frustratie voelen.

Uit de verte kwamen toen die inktvissen.
Met hun lange zuignap armen omhelsden ze mij,
troosten mij en trokken mij de zee in,
waar ik vanaf die dag,
elke gedachte in de kiem smoor.